Tussen dragen en laten zijn

Gepubliceerd op 12 januari 2026 om 16:41

Tussen dragen en laten zijn

Ik merk dat ik de laatste tijd vaker stilsta bij iets wat ik eigenlijk liever niet hardop zeg. Dat moeder zijn van een kind met ASS mij leeg kan trekken.

In vakanties zitten we veel op elkaars lip. Mijn zoon is 13, niet zelfredzaam of zelfstandig en ik ben al jaren zijn externe geheugen. Ik denk voor hem vooruit, start hem op, herinner hem aan alles wat voor anderen vanzelf gaat. En ik heb het zolang met liefde gedaan. Maar eerlijk? Soms voelt het op. En dat vind ik misschien nog wel het pijnlijkste.

Wat vroeger nog ging op hoop en verwachting, voelt nu zwaarder, omdat ik zie dat sommige dingen niet veranderen, hoeveel we ook oefenen. Dat vraagt iets nieuws van mij: minder trekken, minder hopen, meer laten zijn. En misschien voelt dat als leegte, terwijl het eigenlijk een andere vorm van zorgen is die nog moet groeien. Eentje die ik niet ken.

Tevens is het ook het contrast dat pijn doet. We kunnen het thuis fijn hebben. Met onze dochter van 8 is er lichtheid, wederkerigheid, plezier. En dan komt hij beneden, want hij zit een groot gedeelte van de dag het liefste op zijn kamer, en de sfeer draait. Niet omdat hij iets slechts doet, maar omdat hij ontregeld binnenkomt. Kinderachtig gedrag, geen gevoel voor timing of sfeer, onaangepast, claimend of juist afwezig. Meestal gaat hij direct zijn zusje plagen. Waarschijnlijk omdat hij zich niet weet te verhouden tot haar. Nu hij 13 is verwacht je toch anders, maar eigenlijk is hij sociaal emotioneel waarschijnlijk even jong als onze dochter. Ik merk dat mijn man en ik ons ergeren. Dat schuurt, want je wilt dat niet voelen over je eigen kind. En toch is het er .Hij gedraagt zich vaak jonger, minder zelfstandig en verantwoordelijk dan zijn zusje. Dat is geen oordeel, dat is een constatering. En het contrast maakt het extra moeilijk. Zij groeit, maar hij lijkt stil te blijven staan.

Wat me ook bezighoudt: hoe weinig dingen hij kan automatiseren. Schone kleren aantrekken. Tanden poetsen. Drinken pakken. Doortrekken. Handdoek ophangen. Deuren dicht doen en/of op slot draaien. Rommel opruimen. Hetzelfde glas gebruiken. Sleutels meenemen. We zijn hier geen dagen, weken of maanden mee bezig, maar al járen. Met uitleg, met oefenen, met structuur, met loslaten en weer oppakken. Ik dacht lange tijd: als ik hier maar genoeg aandacht aan geef, dan gaat het uiteindelijk vanzelf. Maar dat blijkt niet zo te werken. Het beklijft niet. En hoe meer aandacht ik ervoor heb, hoe meer het gaat opvallen dat het niet verbetert. Daar groeit dan mijn frustratie.

Veel handelingen worden pas eigen als ze van binnenuit betekenis hebben. Niet omdat iemand anders ze belangrijk vindt, maar omdat ze gevoeld worden als relevant. Zonder die intrinsieke motivatie blijven handelingen losse stappen, geen gewoonte voor hem. Dat verklaart waarom sommige dingen, hoe vaak we ze ook herhalen, niet blijven hangen. En waarom andere dingen moeiteloos onthouden worden. Chocolade uit de adventskalender vraagt geen herinnering, geen aansporing. Die zit al in zijn systeem. Het brein kiest wat belangrijk voelt, niet wat logisch of wenselijk is. Dat inzicht maakt het voor mij iets minder persoonlijk. Het gaat niet over onwil, maar over hoe zijn wereld van binnen is ingericht. Tegelijkertijd denk ik ook geregeld: potverdorie zit je ons nu voor de gek te houden? Zie je wel dat je dingen kunt onthouden!

Misschien moet ik accepteren dat sommige dingen voor hem nooit vanzelfsprekend worden. Dat besef is pijnlijk en tegelijk ook bevrijdend. Misschien moet ik het opnieuw loslaten. Niet omdat het onbelangrijk is, maar omdat mijn frustratie anders alles overneemt.

Wat me soms verdrietig maakt, is dat liefde richting mijn dochter zo gemakkelijk stroomt. En bij mijn zoon… soms niet. Dan voel ik afstand. Dan wil ik hem liever zo min mogelijk om me heen hebben.

Ik ben niet hatelijk. Ik probeer echt een goede moeder te zijn. En jarenlang ging dat vanzelf. Maar nu vraag ik me soms af: wat heb ik zelf nog te geven? Vooral nu hij ook nog in de puberteit komt. Dat is geen mooie gedachte. Maar wel een eerlijke. Ik wil geloven dat nabijheid soms tijdelijk te veel vraagt en afstand juist zorgend kan zijn. Zeker bij pubers. Zeker bij ASS. Dat geeft hoop.

Ik werk zelf in het voortgezet onderwijs, in een trajectklas. Ik heb dagelijks te maken met gedrag en daar kan ik mijn rust bewaren. Mijn begrip. Mijn professionaliteit. Thuis is het dan op. Soms voel ik me daar schuldig over. Alsof ik zou moeten kunnen wat ik op mijn werk ook kan. Maar thuis ben ik geen professional. Thuis ben ik moeder en emotioneel betrokken. Al jaren dragend. Dat vraagt iets anders. En daar mag ik misschien milder over zijn naar mezelf.

Wat het extra ingewikkeld maakt, is dat we uit een ontzettend zware periode komen. Jaren van thuiszitten, geen onderwijs, spanning, zorgen, zoeken. Dat hoofdstuk is afgesloten. Hij gaat nu weer naar school, zelfs vier dagen per week. Zonder strijd, zonder gedoe. En dat is groot, dat is winst. En ergens leeft dan het gevoel dat ik nu niet zou mogen klagen. Dat anderen misschien denken: maar hij gáát toch weer naar school? Dan is het toch goed? Alsof dankbaarheid en worsteling niet naast elkaar mogen bestaan. Alsof vrede vanzelf volgt zodra het grootste probleem is opgelost.

Maar zo werkt het niet voor mij. Rust na een crisis is niet automatisch licht. Soms komen juist dan de kleine dingen naar voren die al die tijd zijn blijven liggen. Dat hij naar school gaat, maakt hem niet ineens makkelijker in huis.

Gelukkig mag het naast elkaar bestaan: vooruitgang en zoeken naar een nieuw evenwicht, telkens weer.

Praktijk Eigen Spoor – coaching en begeleiding voor kinderen en ouders in Hengelo.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.